Warmold Warringa.

Warmold Warringa.     (met voldoening kijk ik terug op mijn arbeidstijd)

Warmold Warringa was vanaf 1945 tot 1965 werkzaam in het molenaarsbedrijf van Roelf Giezen te Valthermond. Gesprek gehouden op maandag 24 april 2000.

Warmold is geboren op 23 juni 1926 en overleden op7 juli 2012

Na de lagere schooltijd treedt Warmold in dienst van dokter de Groot als tuinman en hulpjongen, zoals onder andere het reinigen van medicijnflesjes. Om aan de arbeidsinzet te ontkomen, werkt Warmold in de oorlogsjaren (1940-1945) in de veenderij en landbouw.

Eind 1945 komt hij dan in dienst van Roelf Jacobus Giezen (gewoonlijk Roelf genoemd) in de maalderij, waarook Warmold zijn vader Harm Warringa het werk daar regelde en waar ook Reinder Giezen werkzaam was.                                                                                                                         

Roelf Giezen welke een bakkerij met maalderij bestiert op Zuiderdiep no. 489 te Valthermond Roelf’s broer Jacob (Job ) heeft dan een graanhandel met drogerij aan de 12e laan; onderling wisselt men elkaar nog wel eens personeel uit).

Een bijzonder voorval:

Jacob (Job) had een waaier,die bestond uit een grote as met schoepen, die electrisch werd aangedreven. Met dit apparaat ging Gerrit Goedkoop langs de boeren om hiermee het koren te 'schonen'.

Later werd dat door de dorsmachine gedaan, zodat de waaier overbodig werd. Jacob zei, zonder overleg met broer Roelf, tegen Gerrit Goedkoop:'zet hem maar op de zolder van de bakkerij.' Toen Roelf de waaier daar zag staan,pakte hij hem op en goede hem van uit de bovendeur naar beneden, waar hij dwars door de bodem van de GMC (bestelwagen) ging.

Warmold vond de werksfeer prima en er was ondanks de drukke werkzaamheden toch ook wel tijd voor wat gein. Wormold zei ,met voldoening kijk ik terug op mijn arbeidstijd in de maalderij van bakker

Direkt na de 2e W.O.

Direkt na de 2e W.O. start Roelf’s zoon Reinder (geb. 1924), die niets in het bakkersbedrijf ziet, een meel- en veevoederhandel. Ondanks dat Meems en Meijer dat ook doen, blijken er ook goede afzetmogelijkheden voor Reinder.

Het is nog voor eind 1945 dat naast Reinder, Warmolt als knecht in ienst komt. In de tijd na de 2e W.O. neemt het veebezit weer snel toe.

Het gemengde boerenbedrijf bezat dan ook naast de paarden een aantal koeien en varkens met op het erf veelal nog wat kippen, ganzen en een geit. En ook het veebezit onder de arbeiders kwam na de oorlog gauw weer op het vooroorlogse peil. Bijna iedere arbeider had een varken in het kot en tevens hielden velen een aantal kippen. De veevoederhandel was dan ook een florerende bedrijfstak.

R . Giezen Molenaar en veevoeders


Het is nog voor eind 1945

Het is nog voor eind 1945 dat naast Reinder, Warmolt als knecht in ienst komt. In de tijd na de 2e W.O. neemt het veebezit weer snel toe.

Het gemengde boerenbedrijf bezat dan ook naast de paarden een aantal koeien en varkens met op het erf veelal nog wat kippen, ganzen en een geit. En ook het veebezit onder de arbeiders kwam na de oorlog gauw weer op het vooroorlogse peil. Bijna iedere arbeider had een varken in het kot en tevens hielden velen een aantal kippen. De veevoederhandel was dan ook een florerende bedrijfstak.

’s Maandags en dinsdags gingen Reinder en Warmold met paard en wagen door de Valthermond en omgeving om de bestellingen op te nemen en tevens de “pongen “graan van de boeren op te halen voor de maalderij. (Een pong graan was geen vastgestelde hoeveelheid, maar een pong betekent gewoon zak). Zo’n pong was voorzien van label met hierop de naam van de boer en het soort graan dat in de pong zat, al kon de molenaar aan de korrel wel zien welke soort graan het was.

De pong werd later in de maalderij gewogen waarna het werd gemalen. De zak met graan werd met een Jakobsladder naar de stortzolder omhoog gevoerd om te worden gestort in de (electrisch aangedreven) molen. Na het malen werd het meel gewogen en het malersloon (maaldersloon?) berekend. Tot in de 20-er jaren was het nog zo dat de molenaar van elke zak meel een schep meel nam als malersloon; er werd dus in de vorm van een hoeveelheid meel betaald.

Veelal kocht Giezen het graan van de boeren om zo te verwerken voor grondstoffen in de eigen bakkerij alsook andere bakkers en particulieren van meel te voorzien.

Voor het molenaarsbedrijf was de winterdag de drukste periode, ook wel begrijpelijk natuurlijk. Het was de tijd van het dorsen en het vee stond op stal zodat het bijgevoerd moest worden.

Het malen van het graan gebeurde tussen grote molenstenen, dezelfde als welke vroeger in de windmolens werden gebruikt. De grofheid van het meel kon de molenaar regelen door met een tandwiel de afstand tussen de stenen te verruimen of te vernauwen.

Voor patentmeel werd het fijngemalen meel nog “gebuuld”. Het buulen gebeurde in een houten kist met zeven bespannen met zijde, zodat de vliesjes en zemelen met de nog aanwezige ongerechtigheden gezuiverd werden uit het meel.

Dit meel, over het algemeen tarwemeel, gebruikte de bakker voor het bakken van witbrood en gebak. De huisvrouwen kochten dit meel o.a. voor het bakken van cake en pannenkoeken. Het meest werd in de malerij “broodgrof” gemalen, dit is grof gemalen roggekorrel waarvan de hier meest gegeten, roggebroden van werden gebakken.

Een enkele keer gebeurde het wel dat de boeren te vochtig graan leverden (Dit is meer dan 17% vocht). Dit graan kon niet worden gemalen, daar het dan een kleffe en papperige massa gaf. Het vochtige graan moest dan eerst in de graandrogerij van Job Giezen, aan de 12e laan, gedroogd worden.

De veevoeders die men verhandelde, waren ondermeer: paardenbrokken, paardenmeel, koeienbrokken, koeienmeel, veekoeken, varkensmeel, kippengraan en meel.


De veevoerders kwamen per trein

De veevoerders kwamen per trein te Musselkanaal aan. Daar diende dan de wagon(s) door de kopers gelost te worden. Direkt na de oorlog gebeurde het nog met paard en wagen. In 1946 kreeg men de beschikking over een omgebouwde militaire vrachtwagen (merk: Dodge). Deze had een laadvermogen van 4 ton en heeft zo’n 5 jaar dienst gedaan in het bedrijf. Toen werd er een Studebaker vrachtwagen aangeschaft.

Zo halverwege de vijftiger jaren ging Reinder Giezen zelfstandig met het veevoer- en molenaarsbedrijf verder.

Hij liet hiertoe, in de 12e laan, naast de graansilo van oom Job Giezen een loods bouwen. Voor het malen werd toen een hamermolen geplaatst, dit type molen was voorzien van een zestal hamers welke aan een as bevestigd waren. Het graan werd niet meer gemalen, maar tot meel geslagen.

De merken veevoerders die werden verkocht waren Delfia en U.T.D.

De eerste jaren na de 2e W.O. was vrijwel alles nog op de bon en dat gold ook voor het veevoer. De burgers kregen dan meelbonnen van de gemeente, welke dan door de leveranciers bij de mensen werden opgehaald, waarna dan later het meel werd geleverd.

De werkweek was in de vijftiger jaren vijf en een halve dag. Als molenaarsknecht werkte Warmold ook op de zaterdagmiddag. Hij moest dan voor de bakkerij de venters nog brood, koek en gebak nabrengen, daar deze op zaterdag alles niet in één keer konden meenemen. Hiervoor had Warmolt dan op maandagmiddag vrij.

De concurrentie in de veevoederhandel was er niet een van haat en nijd. Men ging normaal met elkaar om. Ging er een klant van het ene bedrijf naar het andere bedrijf en deze wist niet precies “wat voor vlees hij in de kuip had” dan vertelde de andere, bij informatie, spontaan en eerlijk waar men mee van doen had. Men zei dan “het zit wel goed” of “wees voorzichtig” waarbij men dan wel wist waar men aan toe was. Over het algemeen waren er weinig betalingsmoeilijkheden.

In minder drukke tijden werd Warmold ook uitbesteed aan het graanbedrijf van Job Giezen.

De werkzaamheden waren dan ondermeer graan halen bij de boeren, storten en opzakken van het graan, alsook het wegbrengen van het graan, meestal dan naar de grote veeboeren in het zuiden van Nederland.

Had Job Giezen een partij kwalitatief goed graan, dan ging hij er mee naar de Korenbeurs te Groningen. Dit graan werd dan veelal gekocht door de grote meelfabrieken aangesloten bij de “Neveba”en werd veelal per schip afgevoerd.

De bakkerij van Roelf Giezen

bakte voor zo’n 750 gezinnen.

Men had hiervoor 7 venters, dit waren o.a.

O. Halming, W. Haak, H. Haak, K. Niks, J. Haan, J. Pranger en L. Wiering.

In de bakkerij werkten:      H. Duit                        - banketbakker, tevens chef

                                                  H. Santing                 - broodbakker (vooral roggebrood)

                                                  H. Drent                     - broodbakker (overige broden)

                                                  K. Warringa               - koek en banket

                                                  J. Warringa                - alle werkzaamheden



Ook de zonen van Giezen, Roelie en Coos, werkten in de bakkerij.

In de malerij was Harm Warringa molenaar, dit was de vader van de drie zoons welke ook in het bedrijf werkten. In de veevoederafdeling werkten dan Reinder Giezen en Warmold Warringa.

De werksfeer in het bedrijf was prima en er was ondanks drukke werkzaamheden toch ook wel tijd voor wat gein. Warmold kijkt dan ook met grote voldoening op zijn arbeidstijd bij de firma Giezen terug.


In de zestiger jaren

In de zestiger jaren werd al gauw duidelijk dat de tijden veranderden. De boeren mechaniseerden en schakelden volledig over op akkerbouw en ook de arbeiders schaften hun vee af. Enkel nog wat koppen en konijnen werden voor hobby gehouden.

Verder werd het kleinbedrijf meer en meer weg geconcurreerd door de grote gefuseerde bedrijven. Daartegen viel dan ook niet op te boksen. Het was dan ook logisch dat Warmold naar ander werk moest omzien.

In 1965 vindt hij dan werk bij een groothandel in medicijnen en gaat met een bestelbus apothekers bevoorraden.

Reinder Giezen zet het bedrijf nog enkele jaren voort en verkoopt zijn zaak in 1967 aan “Algemeen Belang”te Musselkanaal, Directeur van 'Algemeen belandg' was Gezinus Meinders, die getrouwd was met Anna Dijks ,de nicht van mijn moeder Anna Dijks. Reinder bleef daar werken tot aan zijn pensioen.

Reinder en Warmold konden het heel goed met elkaar vinden,zo wel tijdens het werk als privé.

Paardebroden

Boeren kregen rond de vijftiger jaren toeslag van de regering op de verbouw van graan. Dit gesubsidieerde graan mocht niet voor consumptiedoeleinden gebruikt worden. Hiertoe werd een rode kleurstof door het graan gedaan, zodat deze ongeschikt was voor menselijke consumptie (er werd beweerd dat je blind kon worden als je dit at). Men noemde deze granen gedenatureerde granen.

Ook de zogenaamde paardebroden werden hiervoor gebruikt. Het waren vooral scheepsjagers en straatventers die met een paard bij de weg waren, die dit brood voor hun dieren kochten.

Ko Warringa (Mooi en secuur wark )

Omdat Ko een jaar bij kleermaker Sibon had gewerkt,kon hij zijn eigen bakkersmutsen en schorten naaien. In 1948 kwam hij in dienst bij Giezen en in het begin moest hij met een lapje , bussen insmeren met olie. Zo werd hij langzamerhand broodbakker.

Op een dag moest de familie Tonckens in de kavelingen 's morgens om negen uur gebak hebben.Warmold zou dat even op zijn motor brengen en Coos Giezen , nog klein,moest achterop zitten om de grote doos met gebak vast te houden.

Ze waren net in de kavelingen, toen de wind onder dedoos kwam en alles over de straat waaide. Samen maar weer terug naar de bakkerij, waar banketbakker Duit nogal uitviel tegen Coos. Zijn broer Roelie zei toen:' Moar doar kin oons Coossie toch niks aan doun'.Na het vertrek van Hendrik Duit nam Ko diens taak over in de bankerbakkerij en dat werk beviel hem bijzonder goed.

Mooi en secuur waark.In die tijd werden er ter ere van een huwelijksjubileum opgespoten koeken besteld. Met creme in papieren spuitzakjes maakte Ko roosjes, blaadje en sierlijke letters op koek. Banketletters werden met jam , rode en groene kersen en sucadeslingertjes versierd. De taarten, gebakjes, chocolade letters te veel om op te noemen.

Hendrik Drenth  

Giezen was een monster-kerel, heel sociaal

Hendrik Drenth was in de kost bij Giezen, nadat hij drie jaren vanaf Valthe naar de bakkerij was gefietst. In die tijd was ook Santing er in de kost. Hendrik begon als beginner met veger en blikken insmeren. Als het brood er soms niet goed uitwilde, kreeg hij 'meppers' van de jongens. 's Avo nds moesten we om de beurt turf uit de schuur halen voor de oven. Er werd door Marchien Giezen 's avonds vaak piano gespeeld en dat vond Hendrik heel gezellig.

Aan de vakschool in Zwolle leerde Hendrik het bakkersvak en was daarna knecht in Heerde. Later haalde Hendrik aan de avondschool zijn middenstandsdiploma. Roelf Giezen kwam hem later opzoeken en in een cafe in Meppel vroeg Roelf Giezen aan Hendrik om weer als banketbakker te komen werken. Via de burgemeester lukte het woonruimte voor Hendrik te regelen, in een deel van het huis van B . Cavalje, Zuiderdiep plaatsnummer 24.

Na zijn bakkersperiode bij bakker Roelf Giezen hebben Hendrik Drenth en zijn vrouw een Coop-winkel beheerd in Ees. Af en toe als het nodig was, kon hendrik nog een auto lenen van bakkerij. Op een avond kwamen Roelf Giezen en zijn vrouwbij Hendrik op bezoek. Roelf gooide een koek op tafel en zijn vrouw Jantje zei:' Je krijgt nog geld voor overuren'. Dat werd aan Hendrik uit betaald. Giezen was een monster-kerel, heel sociaal. Hendrik Drenth kochte zijn eerste auto, een VW, via Reinder Giezen.

Harm Groenewold    

(Harm hield van het bakkersvak)

Nadat Harm in Wageningen was opgeleid voor brood en banketbakker en na bij verschillende bakkers werkzaam zijn geweest, hoorde Harm dat Giezen een ervaren bakker zocht. In 1960 kwam Harm in dienst bij Giezen, en naast het brood was Harm vooral bezig met het bakken van koek en banket.

De werktijden waren: maandag en dinsdag van 7:00 tot 15:00, woensdag van 5:00 tot 12:00, donderdag en vrijdag van 7:00 tot 15:00 uur. En daarna vrijdagsavonds van 21:00 tot zaterdag tot dat alles schoon was, dat was meestal rond 10:00 en 11:00 uur 's ochtends. Tijdens de feestdagen werkte Harm wel eens 30 uur achter elkaar door.

Het netto weekloon voor een gediplomeerd bakker bedroeg in 1962 twee en tachtig gulden. Er werkten in de bakkerij toen zo'n 8 personen ook nog 8 tot 10 venters voor Giezen onder weg. Wij hadden bij toerbeurt 1 week vakantie.

Er waren in deze tijd nog de volgende zelfstandige bakkers in Valtehermond:                                                                                                                     

Bakker Ettema - Bakker Scheven - Bakker Giezen - Bakker Huiting - Bakker Baas - Bakker Waarheid - Bakker de Haas en Bakker Wolf

Harm Groenewold heeft altijd een zwakke rug gehad en toen Harm met een volle plaat met gebak uitgleed, werd Harm ongeschikt geacht voor het bakkerswerk.

De verhalen van onderstaande personen volgen nog.


Bennie Arends

Harm Homan

Roelof Huizing

Sluiter

Tietje Potze

Frits Bodewitz

Roelof Luik

Albert Greven

Jaap Duit

Geertje Doek

Albert Akker

Wilma van Tellingen